Alles over Lidwoorden in de Nederlandse taal

Een lidwoord staat vòòr een zelfstandig naamwoord en geeft daarvan de bepaaldheid aan. De bepaaldheid in de taal maakt onderscheid tussen personen,  dingen, ideeën etc. die specifiek en identificeerbaar zijn in een context (bepaald) en personen, dingen etc. die dat niet zijn (onbepaald).

Bepaald en onbepaald

De Nederlandse taal kent drie lidwoorden: de, het  (in spreektaal vaak uitgesproken als ‘t)  en een (in spreektaal vaak uitgesproken als ‘n). De en het zijn de bepaalde lidwoorden; een het onbepaald lidwoord. Wat voorbeelden:

  • de fiets, het huis: door het bepaalde lidwoord weet je welke fiets of welk huis, in de context van de hele Nederlandse zin, wordt bedoeld. Zoals: “De fiets met het zwarte zadel.” of “Het huis met het rode dak.”.
  • een fiets, een huis: door het onbepaalde lidwoord voor deze zelfstandige naamwoorden kan elke fiets of huis binnen de context worden bedoeld. Het is onduidelijk om welke specifieke fiets of huis het in de zin gaat. Zoals: “Een fiets in Nederland staat meestal op slot.” of “Een huis in Amsterdam onder de 200.000 euro is moeilijk te vinden”.

Er is ook een verschil met onbepaalde en bepaalde lidwoord bij bijvoeglijke naamwoorden. Zo krijgen het- en de-woorden -e achter het bijvoeglijk naamwoord. Als je die zelfstandige naamwoorden dan onbepaald maakt door er lidwoord een voor te zetten, valt bij het-woorden de -e weg. Voorbeeld: het mooie meisje en de mooie hoed worden een mooi meisje en een mooie hoed.

Woordgeslacht

Net als in andere talen, zoals het Frans (le/la, un/une) en Duits (der/das/die, ein/eine), geven de lidwoorden het woordgeslacht van het zelfstandig naamwoord aan. In de zin van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Daarnaast bestaat er nog een verschil tussen bepaalde en onbepaalde lidwoorden wat in het Nederlands meer belang heeft dan het geslacht van het woord.

In het Nederlands staat de bepaalde lidwoorden de voor mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden en ook voor meervouden;  het bepaalde lidwoord het zet je voor onzijdige woorden, maar alleen in het enkelvoud.

Wanneer  ‘het’ en wanneer ‘de’?

In het Nederlands wordt er niet zo op gelet of woorden mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zijn. Dit komt doordat het geslacht van woorden weinig invloed meer heeft op de andere woorden in de zin. Vroeger werden er nog wel naamvallen gebruikt in het Nederlands, maar die zijn verdwenen en alleen nog te vinden in vaste uitdrukkingen zoals ‘de heer des huizes’ en ‘Commissaris der Koningin’.

Het verschil van mannelijke en vrouwelijke woorden aan de ene kant met onzijdige woorden aan de andere kun je echter wel zien. Zo hebben vader en moeder allebei het lidwoord de: de vader en de moeder, en heeft het onzijdige woord kind het lidwoord het: het kind.

Het-woorden en de-woorden

Ongeveer een kwart van de zelfstandige naamwoorden in de Nederlandse taal heeft ‘het’ als bepaald lidwoord. Dit zijn de de zogenaamde het-woorden. Als je Nederlands leert is het slim om deze als eerste te leren, want het is de kleinste groep. Voor de woorden die je (nog) niet goed kent kun je dan gokken dat ze ‘de’ als bepaald lidwoord hebben.

Let op: er zijn ook woorden die zowel de- als het-woorden zijn. Bijvoorbeeld:

  • de doek, waarmee je schoonmaakt, en
  • het doek, dat opengaat in de schouwburg;
  • de genie, een legeronderdeel van de Landmacht, en
  • het genie, een persoon die geniaal is;
  • de diamant (voorwerp), in de ring die je net hebt gekregen, en
  • het diamant (stof/materiaal), dat een bedrijf gebruikt om slijpschijven te maken.
Drie regels voor het juiste bepaalde lidwoord: de of het
  1. Meervouden: altijd de. In het meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden, ook de onzijdige, de als bepaald lidwoord. Bijvoorbeeld: het huis -> de huizen, de fiets -> de fietsen, het fietsje -> de fietsjes.
  2. Verkleinwoorden: altijd het. Bijvoorbeeld: de duim -> het duimpje, het huis -> het huisje, de fiets -> het fietsje.
  3. Samengesteld woorden krijgen altijd het lidwoord van het basiswoord. Dat staat achteraan in het zelfstandig naamwoord. bijvoorbeeld: de krant + het artikel = het krantenartikel; het boek + de kaft = de boekenkaft.
Andere ‘regels’ voor het bepaalde lidwoord:
  • Talen krijgen het lidwoord het: het Frans, het Engels, het Duits enz.
  • Aardrijkskundige namen met een bijvoeglijk naamwoord krijgen het lidwoord het: het mooie Krakau, het koude Siberië, het zonnige Kroatië enz. Met uitzondering van Aardrijkskundige meervoud namen, die krijgen de: de Verenigde Staten, de Nederlanden.
  • Richtingen krijgen het lidwoord het: het zuiden, het noorden, het oosten, het zuid-westen.
  • Sporten krijgen het lidwoord het: het tafelvoetbal, het korfbal, het basketbal.
  • Werkwoorden krijgen het lidwoord het: het lopen, het denken, het fietsen.<
  • Achtervoegsels of suffixen -je, -isme, -asme, -gram (niet kilogram), -ment, -sel, -um (uitgezonderd; de datum, de patrolium) krijgen het lidwoord het: het huisje, het boeddhisme, het spasme, het monogram, het segment, het kapsel en het continuüm.

Verder zijn er geen regels dus je zult veel moeten oefenen met het bepaalde lidwoord voor de vele Nederlandse zelfstandige naamwoorden. Bijvoorbeeld met deze app.