Weet je alle acht tijden van de werkwoorden in het Nederlands?

De Nederlandse taal kent in totaal acht werkwoordstijden. Twee tijden maak je met alleen het werkwoord: de onvoltooid tegenwoordige tijd (ik speel, ik begrijp) en de onvoltooid verleden tijd (ik speelde, ik begreep). Voor de andere zes werkwoordstijden in het Nederlands heb je een of meer extra werkwoorden nodig: ik heb gespeeld, ik zou begrepen hebben etc.

“Weet je alle acht tijden van de werkwoorden in het Nederlands?” verder lezen

Tegenwoordig of onvoltooid deelwoord van een Nederlands werkwoord

gloeiend staal als voorbeeld van een tegenwoordig deelwoord, van werkwoord gloeien, in de Nederlandse taalMet deze vorm van een werkwoord geef je aan dat iets nu gebeurt of zich nu in een bepaalde toestand is. Je gebruikt het tegenwoordig deelwoord alleen in zinnen die in de onvoltooid tegenwoordige of onvoltooid verleden tijd staan. Daarom noem je het ‘tegenwoordig’ (of: onvoltooid) deelwoord; als de handeling al afgelopen is of de toestand niet meer bestaat, gebruik je het voltooid deelwoord (of: verleden deelwoord).

“Tegenwoordig of onvoltooid deelwoord van een Nederlands werkwoord” verder lezen