Tegenwoordig of onvoltooid deelwoord van een Nederlands werkwoord

gloeiend staal als voorbeeld van een tegenwoordig deelwoord, van werkwoord gloeien, in de Nederlandse taalMet deze vorm van een werkwoord geef je aan dat iets nu gebeurt of zich nu in een bepaalde toestand is. Je gebruikt het tegenwoordig deelwoord alleen in zinnen die in de onvoltooid tegenwoordige of onvoltooid verleden tijd staan. Daarom noem je het ‘tegenwoordig’ (of: onvoltooid) deelwoord; als de handeling al afgelopen is of de toestand niet meer bestaat, gebruik je het voltooid deelwoord (of: verleden deelwoord).

Een paar voorbeelden:

 werkwoord iets gebeurt nu
(tegenwoordig
deelwoord)
toestand bestaat nu
(tegenwoordig
deelwoord)
iets gebeurde
in het verleden
(voltooid deelwoord)
toestand bestaat
niet meer
(voltooid deelwoord)
hangen   een hangend toilet   het toilet heeft daar
gehangen
gloeien   het staal is
gloeiend heet
  het staal heeft
gegloeid
fietsen fietsend door
de natuur
  ik heb door de
natuur gefietst
 
werken zelfstandig
werkend
  zij heeft zelfstandig
gewerkt
 

Als ezelsbruggetje kun je onthouden dat het tegenwoordig deelwoord je zegt hoe iets gebeurt of wat iets is. Hoe gaan we door de natuur? Fietsend. Wat is het staal? Gloeiend.

Hoe maak je een tegenwoordig deelwoord?

Je ziet dat je het tegenwoordig deelwoord van een Nederlands werkwoord maakt door een -D achter het hele werkwoord te zetten.

Het tegenwoordig deelwoord is een werkwoord dat je nooit als (deel van) het gezegde van een zin gebruikt, maar alleen als bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord of bijwoord.

Een voorbeeld van dit laatste, een tegenwoordig deelwoord als bijwoord, is: gloeiend heet staal. Het bijvoeglijk naamwoord heet zegt iets van zelfstandig naamwoord staal. Tegenwoordig deelwoord gloeiend (een vorm of vervoeging van het werkwoord gloeien) zegt iets over heet, een bijvoeglijk naamwoord. En een woord in een Nederlandse zin dat iets zegt over een bijvoeglijk naamwoord, noem je een bijwoord.

Twee dingen die tegelijk gebeuren

Vaak gebruik je het onvoltooid of tegenwoordig deelwoord als je iets aan het doen bent terwijl er ook iets anders gebeurt. Bijvoorbeeld:

  • Glimlachend fietste ze naar het feest.
  • Bibberend fietste ze door de sneeuwbui.

De persoonsvorm (het werkwoord in de zin dat aangepast is aan het onderwerp) in deze beide zinnen is ‘fietste’. Maar er gebeurt nog iets tijdens dat fietsen: glimlachen of bibberen. Dat geef je aan met de onvoltooide deelwoorden glimlachend en bibberend.

Gebruikt als bijvoeglijk naamwoord

Het tegenwoordig deelwoord kun je ook ‘bijvoeglijk gebruiken’. Het vervult dan de rol van bijvoeglijk naamwoord in een Nederlandse zin: het tegenwoordig deelwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord (staal, lamp etc.). Net als bij andere bijvoeglijke naamwoorden, gebruik je meestal de verbogen vorm met een -E er achter:

  • De hangende lamp.
  • Het gloeiende staal.

Ook bij deze bijvoeglijke naamwoorden valt de -E aan het eind soms weg, maar blijft de woordsoort bijvoeglijk naamwoord:

  • Het kloppende hart.
  • Een kloppend hart.
  • De bestaande huizen.
  • Een bestaand huis.

In beide zinnen zegt het tegenwoordig deelwoord van werkwoord kloppen iets over zelfstandig naamwoord hart of huis. En een woord dat iets zegt over een zelfstandig naamwoord noem je een bijvoeglijk naamwoord.

Tegenwoordig deelwoord zelfstandig gebruiken

Zo heet het als je een tegenwoordig of onvoltooid deelwoord als een zelfstandig naamwoord gebruikt. Je voegt ook in dit geval -DE toe aan het hele werkwoord. Alleen als het tegenwoordig deelwoord verwijst naar personen in het meervoud komt daar nog een -N achter. Wat voorbeelden:

  • De overlevenden werden gered. (meervoud van personen dus extra -N achter het tegenwoordig deelwoord van werkwoord: overleven)
  • De liggende planken heb ik al geverfd, nu nog de staande. (meervoud, maar geen personen dus geen -N achter -DE)
  • Het vorige boekjaar was winstgevend en we hebben goede vooruitzichten voor het lopende. (enkelvoud en ook geen persoon, dus geen -N)

In al deze gevallen zie je een lidwoord voor het tegenwoordig deelwoord staan. En je weet dat een lidwoord alleen mag worden gekoppeld aan een zelfstandig naamwoord. Dus een tegenwoordig deelwoord direct na een lidwoord speelt de rol van een zelfstandig naamwoord of anders gezegd: is zelfstandig gebruikt.

Niet voor alle werkwoorden

Een tegenwoordig deelwoord van een hulpwerkwoord of koppelwerkwoord klinkt vreemd in een Nederlandse zin en wordt tegenwoordig nooit meer gebruikt. Dat geldt ook voor veel gebruikte onregelmatige werkwoorden zoals: willen, moeten en krijgen. Wat vind je van:

  • hebben –> hebbend (klinkt vreemd, vind je niet?)
  • willen –> willend (?)
  • moeten –> moetend (?)

Deze werkwoorden kennen geen tegenwoordig deelwoord (meer) in de Nederlandse taal.

Verouderde uitdrukkingen met een onvoltooid deelwoord op -DE

Er zijn een paar uitzonderingen op de regel dat een tegenwoordig of onvoltooid deelwoord op een -D eindigt. Deze zijn eeuwen geleden ontstaan, toen de Nederlandse taal anders werd gespeld dan nu: het tegenwoordig deelwoord mocht ook op -DE eindigen.
Voorbeelden:

  • Hangende het onderzoek kan de politie geen mededelingen doen.
  • Ijs en weder diendende gaat het festival gewoon door.
  • Al doende leert men.
  • Dat gezegd zijnde wil ik u het beste wensen.

Weten hoe je het onvoltooid of tegenwoordig deelwoord van alle werkwoorden spelt?

Klik hier om snel de vervoegingen van elk Nederlands werkwoord te checken met onze webapp; werkt ook op iPhones en je laptop.

Of heb je liever alle vervoegingen van alle Nederlandse werkwoorden op je smartphone?