Voltooid deelwoord van een Nederlands werkwoord

Een voltooid deelwoord is een vorm of vervoeging van een Nederlands werkwoord. Hiermee geef je aan dat iets wat je doet of wat gebeurt helemaal klaar is ofwel: voltooid. Ook gebruik je een voltooid deelwoord om een zin passief te maken.

tegenwoordige tijd verleden tijd voltooid tegenwoordige tijd
ik fiets: tegenwoordige tijd van het werkwoord ik fietste: verleden tijd van het werkwoord ik heb gefietst: voltooid deelwoord van het werkwoord
ik fiets ik fietste ik heb gefietst
wij fietsen wij fietsten wij hebben gefietst
je doet het op dit moment; de handeling vindt nu plaats je doet het niet meer; de handeling ligt (net) in het verleden je bent helemaal klaar; de handeling is voltooid

In de derde zin zie je het voltooid deelwoord van het werkwoord fietsen, namelijk: gefietst. Je ziet ook:

  • Dat het voltooid deelwoord een voorvoegsel GE- heeft gekregen, wat de andere vormen (fiets, fietste) niet hebben. Alle voltooid deelwoorden in het Nederlands krijgen (of hebben al) een voorvoegsel, waar nooit de klemtoon op valt.
  • Dat er een tweede werkwoord naast het voltooid deelwoord in de zin staat: een hulpwerkwoord. In dit geval een vorm van werkwoord hebben: heb. Dat is een hulpwerkwoord van tijd, net als: zijn. Elke zin met een voltooid deelwoord heeft ook altijd een hulpwerkwoord.
    Uitzondering: als geen onderwerp in de zin staat. Een, meestal erg korte, zin zonder onderwerp heeft geen hulpwerkwoord nodig, bijvoorbeeld: Alweer gefietst?
  • Dat er maar 1 variant van het voltooid deelwoord van een werkwoord bestaat. Deze vorm verandert niet mee met het onderwerp, zoals de -N die er in de verleden tijd bij komt als je van ik (enkelvoud) naar wij (meervoud) gaat. In plaats van een andere vorm van het voltooid deelwoord, krijgt het hulpwerkwoord een vorm die past bij het aantal personen in het onderwerp van de zin: de persoonsvorm.

Passieve zinnen en voltooid deelwoord

Naast het aangeven dat een handeling of toestand helemaal afgelopen is, gebruik je een voltooid deelwoord ook in zogenaamde passieve zinnen. De zes zinnen hierboven met het werkwoord fietsen zijn allemaal actief: het onderwerp (ik, wij) voeren of voerden de handeling (het fietsen) zelf uit. Deze zes zinnen staan in de actieve of bedrijvende vorm. Het woord `bedrijvende´ komt van bedrijvig(heid) en daar zie je aan dat het gaat om het zelf bezig zijn van het onderwerp.

tegenwoordige tijd (passief)
ik word gefietst: voltooid deelwoord in passieve zin of lijdende vorm
ik word gefietst
jij wordt gefietst
iemand doet iets met jou of voor jou, op dit moment; jij bent niet zelf actief bezig met de handeling die plaatsvindt

Een zin waarin het onderwerp zelf niets doet maar iets ondergaat of bijvoorbeeld iets krijgt, staat in de passieve of lijdende vorm. Aan het woord ´lijdende´zie je al dat het onderwerp een soort `slachtoffer´is van wat er in de zin wordt beschreven en er niets aan kan of wil doen.

In een passieve zin staat van het werkwoord dat beschrijft wat er gebeurt (hier: fietsen) de vorm voltooid deelwoord: gefietst.

Altijd een hulpwerkwoord in de zin

Een zin met een voltooid deelwoord heeft ook altijd een hulpwerkwoord, niet ‘van tijd’ maar ‘van de lijdende vorm’. In de zinnen hiernaast zie het vormen van het hulpwerkwoord: worden.

De twee passieve zinnen hierboven staan in de tegenwoordige tijd: het fietsen (dat het onderwerp, ik/wij, met je/ons laten gebeuren) vindt op dit moment plaats, in het nu. Als je uit de riksja stapt, kun je passieve zin in de verleden tijd zeggen: ” Ik werd gefietst”. Ook hier zie je dat het voltooid deelwoord niet verandert (daar is maar 1 vorm van) maar het hulpwerkwoord wel: dat geeft nu de verleden tijd aan.

Snel het voltooid deelwoord checken van elk Nederlands werkwoord?

Dat kan met onze Werkwoorden app voor jouw smartphone: