Wat is een zelfstandig naamwoord?

een hand als voorbeeld van een zelfstandig naamwoord in de Nederlandse taal; een van de woordsoortenAlles wat je om je heen ziet en de dingen die je ervaart of waar je aan denkt, kun je allemaal een ‘etiket’ geven: een zelfstandig naamwoord. Het “zelfstandig” betekent dat je in een zin maar één woord nodig hebt voor het ‘iets’ uit jouw omgeving of in je beleving of gedachten: hand, park, weer, wens, helft.

Andere soorten woorden of woordsoorten in de Nederlandse taal zijn geen zogenaamde ‘zelfstandigheid’, omdat ze altijd andere woorden nodig hebben om iets te betekenen: loopt (wie?), prettige (wat?), twintig (van?).

De- en het- woorden

Voor een zelfstandig naamwoord kun je in een Nederlandse zin de of het zetten. En in plaats van zowel de als het, kun je ook een zetten. De, het en een heten lidwoorden. Voorbeelden:

  • de hand – een hand
  • het park – een park
  • het weer – een weer?? Let op: voor dingen die je (eigenlijk) niet kunt tellen, mag je geen lidwoord ‘een’ zetten.
  • de wens – een wens
  • de helft – een helft.

Je kunt alleen zelfstandige naamwoorden combineren met een lidwoord en geen andere soorten woorden. Daarom worden zelfstandige naamwoorden in de Nederlandse taal ook ‘de- en het- woorden’ genoemd. Ongeveer een kwart van alle zelfstandige naamwoorden is een ‘het-woord’. Als je moet gokken over het juiste lidwoord is ‘de’ de beste keus. Of je oefent het juiste lidwoord met deze handige app.

Uitzondering: eigennamen krijgen geen lidwoorden

Namen van mensen, steden, gebieden, organisaties en merken (van producten) zijn ook zelfstandige naamwoorden, maar je geeft ze geen lidwoord. Dit zijn zogenaamde eigennamen, die je schrijft met een hoofdletter: Jan, Bordeaux (stad in Frankrijk), China, Prosults Studio. Je geeft hiermee een individuele mens of plaats aan, met zijn of haar unieke, eigen, naam.

Ezelsbruggetje: omdat er maar één van bestaat, heb je geen lidwoord nodig.

Een eigennaam kan een zogenaamde soortnaam worden. Bijvoorbeeld alle wijn uit de streek rond de stad Bordeaux (eigennaam) noem je meestal bordeaux (soortnaam). Een soortnaam heeft geen hoofdletter en kun je wel een lidwoord geven: “Neem je de bordeaux mee uit de wijnkelder?”

Meervoud en verkleinwoord

Zelfstandige naamwoord kun je een meervoud geven:

  • hand –> handen
  • park –> parken
  • museum –> musea

Eigennamen en sommige abstracte begrippen, zoals slaap (het niet wakker zijn) hebben geen meervoud. Andere zelfstandige naamwoorden in het Nederlands die geen meervoud hebben zijn bijvoorbeeld ‘muziek’ en ‘heelal’.

Het omgekeerde kom je ook tegen, namelijk zelfstandige naamwoorden die alleen in het meervoud bestaan zoals: personalia, onkosten en hersenen.

Tenslotte zelfstandige naamwoorden met alleen enkelvoud: rijst, politie en vee.

Van veel zelfstandige naamwoorden (natuurlijk niet van eigennamen omdat ze uniek zijn), kun je een verkleinwoord maken:

  • hand -> handje (meervoud: handjes)
  • park –> parkje, weer –> weertje
  • bordeaux –> bordeauxtje

Deze beide mogelijkheden vind je in de Nederlandse taal alleen bij zelfstandige naamwoorden. Dus als je een woord vindt met enkelvoud en meervoud en/of een verkleinwoord, weet je zeker dat het een zelfstandig naamwoord is.

Geslacht

In talen zoals het Duits, Frans en Spaans zie je aan het lidwoord altijd welk geslacht (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) het zelfstandig naamwoord heeft. In het Nederlands is dat niet zo, bijvoorbeeld: de man (mannelijk) en de vrouw (vrouwelijk). Een zelfstandig naamwoord waar ‘het’ voor staat is (bijna) altijd onzijdig.

Het geslacht heb je nodig om te verwijzen naar zelfstandige naamwoorden:

mannelijk (m.) vrouwelijk (v.) onzijdig (o.)
persoonlijk voornaamwoord hij, hem zij, ze, haar het
bezittelijk voornaamwoord zijn haar zijn

Let op: als het bij een onzijdig zelfstandig naamwoord overduidelijk om een vrouw of iets vrouwelijks gaat, verwijs je met ‘haar’ en niet met ‘zijn’. Voorbeeld: het meisje (onzijdig) heeft haar zwemdiploma gehaald.

Zelfstandig naamwoord maken uit een werkwoord

Van een werkwoord kun je heel eenvoudig een zelfstandig naamwoord maken: zet er een lidwoord voor. Het spreken, het voetballen, het doorgaan zijn daarvan voorbeelden.

Ook kun je de stam van een werkwoord omzetten in een zelfstandig naamwoord door:

  • letters te veranderen: repareren (werkwoord) –> repareer (stam) –> reparatie (zelfstandig naamwoord)
  • ge- ervoor te zetten: doen –> doe –> gedoe (zelfstandig naamwoord), schreeuwen –> schreeuw –> geschreeuw
  • -st erachter te zetten: komen –> kom –> komst (zelfstandig naamwoord), winnen –> win –> winst
  • -sel toe te voegen: beginnen –> begin –> beginsel (zelfstandig naamwoord)
  • met -er, -erd, -der of -derd aan te geven wie de handeling uitvoert: fietsen –> fiets –> fietser (zelfstandig naamwoord), besturen –> bestuur –> bestuurder

Niet alleen de werkwoordsstam maar ook het Voltooid Deelwoord kun je veranderen in een zelfstandig naamwoord. Dat doe je door er -e achter te zetten:

  • fietsen –> gefietst (voltooid deelwoord) –> gefietste (zelfstandig naamwoord)
  • branden –> gebrand –> gebrande

Van een bijvoeglijk naamwoord een zelfstandig naamwoord maken

Dat doe je door iets achter het bijvoeglijk naamwoord te zetten:

  • -heid: speels (bijvoeglijk naamwoord) –> speelsheid (zelfstandig naamwoord), goed –> goedheid
  • -te of -de: kalm (bijvoeglijk naamwoord) –> kalmte (zelfstandig naamwoord), droog –> droogte, lief –> liefde
  • -er, -erd, -aar of -aard om iemand aan te geven met een kenmerkende eigenschap: lui –> luiaard (zelfstandig naamwoord), lief –> lieverd
  • -erik om hetzelfde te doen: bot –> botterik (zelfstandig naamwoord)

Combineren maar

Je kunt twee zelfstandige naamwoorden combineren tot 1 nieuwe:

  • auto + weg = autoweg
  • slaap + kamer = slaapkamer
  • droom + reis = droomreis