Weet je alle acht tijden van de werkwoorden in het Nederlands?

De Nederlandse taal kent in totaal acht werkwoordstijden. Twee tijden maak je met alleen het werkwoord: de onvoltooid tegenwoordige tijd (ik speel, ik begrijp) en de onvoltooid verleden tijd (ik speelde, ik begreep). Voor de andere zes werkwoordstijden in het Nederlands heb je een of meer extra werkwoorden nodig: ik heb gespeeld, ik zou begrepen hebben etc.

werkwoordstijdafkortingfietsenlopen
onvoltooid tegenwoordige tijdo.t.t.ik fietsik loop
onvoltooid verleden tijdo.v.t.ik fietsteik liep
voltooid tegenwoordige tijdv.t.t.ik heb gefietstik heb gelopen
voltooid verleden tijdv.v.t.ik had gefietstik had gelopen
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd o.t.t.t. ik zal fietsenik zal lopen
voltooid tegenwoordige toekomende tijd v.t.t.t. ik zal gefietst hebbenik zal gelopen hebben
onvoltooid verleden toekomende tijd o.v.t.t. ik zou fietsenik zou lopen
voltooid verleden toekomende tijd v.v.t.t. ik zou gefietst hebbenik zou gelopen hebben

Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Deze werkwoordstijd wordt het meest gebruikt en leer je in elke taal als eerste. Met de onvoltooid tegenwoordige tijd beschrijf je iets dat op dit moment gebeurt of nu zo is.
Voorbeelden:

  • ik lees, jij leest, zij leest, wij lezen
  • ik ben, jij bent, zij is, wij zijn

Maar je kunt nog meer doen met de tegenwoordige tijd. Wat dacht je van:

  • Verwijzen naar de toekomst: “Morgen hoor je hier meer over.”
  • Iets beschrijven wat eerder is gebeurd: “Zit ik vorige week in de trein, kom ik daar een oud-klasgenoot tegen!”

Vervoegen met stam, stam+t en het hele werkwoord
Als je de stam van een werkwoord weet, kun je alle vervoegingen van de tegenwoordige tijd maken. De enige uitzondering zijn enkele erg onregelmatige werkwoorden zoals hebben en zijn: daarvan moet je alle vervoegingen uit je hoofd leren. Alleen in de tegenwoordige tijd maak je werkwoordsvormen die eindigen op -DT.

Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Je gebruikt deze werkwoordstijd meestal om iets te beschrijven dat in het verleden is gebeurd. Verhalen, zoals een roman of biografie, gebruiken deze tijd ook vaak. Bijvoorbeeld om in een aantal zinnen een reeks van dingen weer te geven die na elkaar hebben plaatsgevonden. Voorbeelden:

  • Ahmed woonde tot zijn twaalfde jaar in Marokko.
  • Toen verhuisde hij met zijn familie naar Den Haag.
  • Met een diploma van Gymnasium Haganum op zak, ging hij studeren aan de Technische Universiteit Delft.
  • Nadat hij daar cum laude was afgestudeerd, werd hij onderzoeker bij ASML.

Maar de onvoltooid verleden tijd wordt ook anders gebruikt. Zoals voor het beschrijven van:

  • Een gewoonte: Als meisje hield zij van het spelen met barbiepoppen.
  • Iets wat onbepaald lang duurt: Jules Deelder leefde en werkte in Rotterdam.
  • Iets wat in het verleden telkens terugkeerde: Vroeger kwam Zwarte Piet elk jaar met een stoomboot uit Spanje naar Nederland.

Vervoegen met ’t ex-Kofschip
Alle zwakke of regelmatige werkwoorden krijgen in de verleden tijd -de/den of, -te/ten aan het eind van de vervoeging. Dit hangt af van de laatste klank in de ruwe stam. De klanken waarbij je met -te/ten moet vervoegen, vind je in het ezelsbruggetje: ’t ex-Kofschip.
Bij onregelmatige of sterke werkwoorden vind je veel uitzonderingen op deze regel.

Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Met deze werkwoordstijd beschrijf je een feit of activiteit die in het verleden is gebeurd en nu afgerond (voltooid) is. Deze tijd legt de nadruk op het resultaat en op een tijdstip, geen periode, in het verleden. Voorbeelden:

  • Het heeft geregend.
  • Ik ben nog nooit zo gelukkig geweest!
  • Zij hebben lang door de bossen gewandeld.

Alleen voltooid deelwoord
De enige vervoeging van het werkwoord die je gebruikt in voltooide tijden zoals de v.t.t. is het voltooid deelwoord.

Hulpwerkwoord van de voltooide tijd
Een zin in de voltooid tegenwoordige tijd bevat altijd een vorm van de hulpwerkwoorden hebben of zijn. Dit is een vervoeging in de tegenwoordige tijd: heeft, ben en hebben in de voorbeelden hierboven.

Vaak gecombineerd met de onvoltooid verleden tijd
In de praktijk zie je vaak een zin in de voltooid tegenwoordige tijd die aangeeft dat iets in het verleden gebeurt. Met de zinnen daarna in de onvoltooid verleden tijd wordt beschreven wat er daarna gebeurde.

Voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Hiermee geef je iets aan dat in het verleden al afgerond was. Meestal om aan te geven dat er daarna nog iets in het verleden gebeurde. Voorbeelden:

  • De dief was al gevlucht toen de politie arriveerde.
  • Het had gesneeuwd zodat de weg onbegaanbaar was.

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (o.t.t.t.)

Dit is de meest gebruikte werkwoordstijd om over de toekomst te praten. Je gebruikt de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd in de volgende situaties:

Je benadrukt dat iets zeker gaat plaatsvinden Het zal morgen gaan sneeuwen.
Je zult hier spijt van krijgen!
Je wilt zeggen dat iets waarschijnlijk gaat gebeuren Zij zal waarschijnlijk emigreren naar Zwitserland.
Het zal vrijwel zeker vanavond gaan regenen.
Je doet een belofte of een voorstelIk zal het geld zo snel mogelijk terugbetalen.
Wij zullen de kat eten geven tijdens jouw vakantie.

Alleen het hele werkwoord
De enige vervoeging die je gebruikt in onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd is het hele werkwoord. Zoals: sneeuwen, krijgen, emigreren, regenen, terugbetalen en geven in de voorbeelden hierboven.

Hulpwerkwoord van de toekomende tijd
Net als bij de voltooide tijden, bevat een zin in een toekomende tijd altijd een vorm van een hulpwerkwoord. Het hulpwerkwoord van de toekomende tijd is: zullen. Voor zinnen in de o.t.t.t. gebruik je een vervoeging in de tegenwoordige tijd van zullen: zal, zult en zullen in de voorbeelden hierboven.

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (v.t.t.t.)

Deze werkwoordstijd gebruik je om een situatie te beschrijven die in de toekomst zeker of heel erg waarschijnlijk afgerond (voltooid) zal zijn. Voorbeelden:

  • Morgenavond zullen we dat zware examen hebben gemaakt.
  • Volgend jaar zal deze woonwijk helemaal zijn opgeleverd.

Twee hulpwerkwoorden
Je ziet dat in een zin in de voltooid tegenwoordige toekomende tijd zowel een hulpwerkwoord van de voltooide tijd (hebben of zijn) en een hulpwerkwoord van de toekomende tijd (zullen) voorkomen.
Van hebben of zijn gebruik je alleen het hele werkwoord.
Van het hulpwerkwoord zullen gebruik je de vervoeging in de tegenwoordige tijd die past bij het onderwerp; in deze tijd is dat werkwoord de persoonsvorm.

Onvoltooid verleden toekomende tijd (o.v.t.t.)

Hiermee speculeer je over iets wat mogelijk in de toekomst gebeurt. Deze werkwoordstijd wordt ook wel de hypothetische tijd genoemd. Je uitgangspunt is het verleden en je hebt het over iets dat nu of later plaatsvindt. Meestal gaat het over iets dat verbonden is aan een voorwaarde.

Voorbeelden van zo’n als-dan constructie:

  • Als zij niet zo verlegen was, zou zij meer vriendinnen hebben.
  • De kinderen zouden zich maar vervelen, als we te lang bij oma bleven.

Aangeven hoe het zou moeten
Je kunt de onvoltooid verleden toekomende tijd ook gebruiken om aan te geven wat je normen, plannen of verwachtingen zijn. Dat doe je met ‘zouden moeten’ of ‘zouden’, zoals in deze voorbeelden:

  • Dat zouden zij moeten weten.
  • Je zou daar niet te lang moeten blijven.
  • De inhuurkracht zou tot januari blijven.
  • Zij zou vandaag op tijd komen.

Beleefd klinken
Met ‘zou’ of ‘zouden’ kun je een zin beleefd laten klinken. Je krijgt dan een zin in de onvoltooid verleden toekomende tijd als:

  • Wij zouden graag twee kaartjes naar Rotterdam willen.
  • Zou het niet veiliger zijn als je dat gewoon met een schaar doet?

Hulpwerkwoord vervoegd in de verleden tijd
Je ziet dat het hulpwerkwoord van toekomende tijd, zullen, wordt vervoegd in de verleden tijd: zou of zouden. Hieraan herken je zinnen in een verleden toekomende tijd (o.v.t.t. en v.v.t.t.).

Voltooid verleden toekomende tijd (v.v.t.t.)

Je gebruikt deze werkwoordstijd voor hypothetische situaties in het verleden. Dat doe je meestal met een voorwaardelijke zin: als (in het verleden) aan een bepaalde voorwaarde was voldaan, dan (ook in het verleden) zou er sprake zijn geweest van een bepaalde situatie.
Met andere woorden: je beschrijft een situatie die vanuit het verleden gezien in de toekomst zou plaatsvinden. Deze situatie zou, bekeken vanuit het nu, helemaal in het verleden liggen.

  • Ik zou mijn examen hebben gemaakt, maar toen kreeg ik de griep.
  • Als je goed had opgelet, dan zou je hebben gezien dat die auto niet in orde was.

Je kunt ook de voltooid verleden tijd gebruiken
Voor hypothetische situaties in het verleden hoef je niet altijd de voltooid verleden toekomende tijd te gebruiken. Vaak zegt een zin in de v.v.t. precies hetzelfde en met minder woorden:

v.v.t.t.v.v.t.
Zij zou dat zeker niet hebben gedaan. Zij had dat zeker niet gedaan.
Als zij op tijd zouden zijn geweest, dan zouden zij ze de klus al af hebben gerond. Als zij op tijd waren geweest, dan hadden ze de klus al afgerond.

Alle werkwoordstijden van alle Nederlandse werkwoorden op je smartphone?

Download dan nu onze unieke app: